. Geschiedenis van het combinatieverkeer
Het combinatieverkeer of gecombineerd ladingsverkeer omvat niet enkel het transport van “containers” – tussen aanhalingstekens, want niet iedereen verstaat hetzelfde onder dit begrip en vaak worden ook wissellaadbakken als containers aangeduid – maar minstens in Europa ook het transport van zadelaanhangers, hele vrachtwagens en zelfs wissellaadbakken.

Bovendien begreep men in Europa onder het begrip “container” niet altijd die grote rechthoekige stalen kisten, met een lengte tussen 20’ en 40’ (1 voet is 0,3048m). Tot minstens halfweg de jaren 1960 werden als “containers” veel vaker de tot dan toe grootste genormeerde reservoirs, de pa-laadkisten (porteur aménager), bedoeld. Aan het bestaan van de pa-kisten weet men dat het gecombineerde verkeer in Europa een veel langere traditie heeft als de meesten vermoeden:

Al in 1924, op de spoorwegtechnische tentoonstelling in Seddin, werd een vlakke draagwagen met vier daarop geplaatste en verrijdbare laadkisten voorgesteld, die in opdracht van de Berlijnse melkerij Bolle ontwikkeld was en het “Van Huis Naar Huis” verkeer van kokosvet mogelijk maakte. Midden de jaren 1930 waren al 12.000 zogenaamde kleine laadkisten met een capaciteit tot 3,5 m³ in gebruik. De invoering in 1935 van grotere laadkisten tot 20m³ door de Deutsche Reichsbahn werd door de uitbraak van de oorlog in 1939 stopgezet.

Al sinds 1936 werden in Frankijk speciale vrachtwagen-aanhangers vervoerd op hiervoor extra uitgeruste vlakke draagwagens. Deze techniek, UFR genaamd, verspreidde zich na 1945 uit over het hele land. Op hun hoogtepunt in de jaren 1960 waren er zo’n 200 laadstations en 500 wagons.

Hierbij moet opgemerkt worden dat de Franse staatsspoorwegen SNCF bij dit systeem enkel het transport van de wagens uitvoerde; ze waren niet betrokken als aandeelhouder. Omdat de laadcapaciteit van de UFR-aanhangers toch meer en meer onbevredigend was, werd begin de jaren 1960 het door de SNCF mee ontwikkelde kangoeroesysteem ingevoerd, waarbij eveneens speciale maar nu grotere zadelaanhangers op zogenaamde “kangoeroewagens” geladen werden. Met dit systeem, uitgebaat door STEMA (een joint venture van SNCF en de Franse organisatie van transportfirma’s FNTR), werd vanaf 1963 voor de eerste keer ook grensoverschrijdend gecombineerd verkeer uitgevoerd naar Nederland, België en Italië.

Niet in het minst omwille van de tarifering van de SNCF op basis van het gewicht van de ladingseenheden, bevorderde men in Frankrijk ook de ontwikkeling van de “wisselkasten” gedoopte 11,80m lange laadkisten, die horizontaal op speciale “wespenwagens” overgeslagen werden. In vergelijking met het verladen van een zadelaanhanger met een in verhouding hoog aandeel “dode last” door de wielen en het draagraam had de wisselkast een gewichtsvoordeel tot 4t. De drijvende kracht achter deze ontwikkeling was de GTTM, een vereniging van transportondernemingen, die al werkte op basis van het UFR-systeem. Al sinds 1948 werden de transporten van het CNC, een indirecte dochteronderneming van de SNCF, uitgevoerd met laadkisten met een volume van 3 tot 18m³. We vermelden er even bij dat het CNC onlangs ontbonden werd en de opdrachten door het nieuw opgerichte Naviland Cargo en CMA/CGM overgenomen werden.

Terug naar Duitsland: in 1949 werd door de Deutsche Bundesbahn het al in de jaren 1930 in Nederland ingevoerde systeem met pa-laadkisten ingevoerd. Daarbij werden heel wat verschillende laadkisttypes met nuttige volumes tot 11m³ ontwikkeld. Het systeem vond bij de transportsector snel bijval, zodat op het hoogtepunt in de jaren 1960 zowat 25.000 pa-laadkisten van de DB en een veelvoud verdere, private laadkisten in omloop waren. Daarbij kwamen voor het spoorwegtransport zowat 5.700 draagwagens in verschillende uitvoeringen.

Maar ook in Duitsland begon men in de jaren 1960 te streven naar het vervoer van grotere eenheden via het spoor. Naast het concept van de kangoeroewagen voor het transport van zadelaanhangers werden “wisselkasten” met een lengte van 11,60m of 6m lengte ontwikkeld. Daarmee waren de voorlopers van de huidige “wissellaadbakken” geboren.

Maar ook van over zee kwam iets nieuws naar Europa: op 6 mei 1966 legde in Bremen Überseehafen de “Fairland” aan en loste haar nieuwe ladingseenheden: containers!

Al sinds het begin toonaangevend voor het transcontinentale containerverkeer, bracht de rederij SeaLand als eerste 35’ containers naar US-norm (ASA) naar Noord-Europa. Deze “SeaLand-containers” en enkele andere formaten waren op dat ogenblik in de USA al veel gebruikte ladingseenheden; met een ontwikkeling die al in de jaren 1930 begonnen was. Achter SeaLand stond niemand minder dan Malcolm McLean, oorspronkelijk een Amerikaanse wegtransporteur (geen reder!), die als uitvinder van de container en vader van de “containerisering” doorgaat. McLean verkocht zijn firma overigens eind jaren 1990 aan de Deense rederij Maersk.

Nadat ook Europese reders de voordelen van het transport van “gecontaineriseerde” goederen ontdekt hadden, maar de US-normen niet zonder problemen naar verhoudingen tussen de Europese en andere landen overdraagbaar waren, standaardiseerde men zich onder het dak van de ISO-normen op de hier gekende trans-, zee- of ISO-containers met 10’, 20’, 30’ en 40’ lengte, 8’ breedte (daarover straks meer)en 8’ of 8’6” hoogte (later ook “High-Cubes” met 9’6” hoogte).

Niet enkel de reders zagen de voordelen van de container, ook de Europese transportfirma’s. Zo begon langzaam maar zeker het pa-kistensystem aan glans te verliezen, waarvan de laadkisten ondertussen ook middelcontainers (MC) genoemd werden om een beter onderscheid te kunnen maken. De Deutsche Bundesbahn hielp hierbij met een eigen ontwikkelin: de ISO-container met een breedte van 8’, dit is 2,438m, heeft een binnenmaat van net iets minder dan 2,40m. Daarmee ontstaan binnen in de container ongunstige stapelpatronen voor de in Europa geliefde euro-/pool- en industriepaletten, die 80x120cm of 100x120cm meten. Voor de meest optimale palettenbelading is minstens een breedte nodig van 2,42m, beter nog 2,44m of meer. Daarom werd de “binnencontainer” boven de doopvont gehouden en vanaf 1969 in omloop gebracht. De binnencontainer draagt met 2,50m breedte en 2,60m hoogte de (toenmalige) voorkeur van het StVZO weg, ook omdat alle andere afmetingen en de behandeling identiek is aan de ISO-containers (gedetailleerde informatie hierover vindt u op de pagina Over containers en andere blikken bussen (in opbouw)).

Nadat de voorstelling van de DB binnencontainers internationaal voor ergernis gezorgd had, moest de FAKRA, het normeringscomité voor motorvoertuigen van het Duitse Verband der Automobilindustrie (VDA) – een in 1925 door de voorgaande organisaties van DIN en VDA opgerichte vereniging – nog meer ergernis accepteren toen ze voor de eerste maal de wissellaadbak normeerde. De oorspronkelijke normering van wissellaadbakken wijkt namelijk niet alleen in de breedte af van ISO-containers, deze is ook 2,50m, maar ook in de lengte en de overslagtechniek (meer hierover in het hoofdstuk “Over containers en andere blikken bussen” -> Wissellaadbakken). De normering was evenwel dringend ingevoerd, zodat zekergesteld kon worden dat transporteurs in deze techniek zouden investeren. Dat hoofdzakelijk in het binnenverkeer geïnteresseerde expediteurs zich daarbij niet aan de beperkingen van ISO wilden onderwerpen, was te verwachten.

Drijvende kracht was ook het “Leber-Plan” van de toenmalige West-Duitse verkeersminister Georg Leber, dat het politiek gewenste verleggen van het wegverkeer naar de spoorweg vooropstelde. Maar niet enkel in Duitsland en Frankrijk werden de voordelen van de wissellaadbakken duidelijk, ook in andere Europese landen waren er vergelijkbare ontwikkelingen. In de loop van het laatste decennium volgde tenslotte de harmonisering op EU-vlak van de in heel Europa genormeerde afmetingen voor wissellaadbakken, die ten opzichte van de eerste normen uit de jaren 1960 beduidend grotere afmetingen en een groter gewicht gekregen hebben.

De geïnteresseerde lezer zal zich waarschijnlijk afvragen, waarom er naast de ISO-container met binnencontainers en wissellaadbakken twee “genormeerde” en meer of minder succesvolle ontwikkelingen in Europa waren. De wezenlijke oorzaak is, naast het voortdurende streven van de wegverkeer-georiënteerde expeditie-industrie om telkens het maximum uit de geldende wetgeving te halen, de sinds 1992 ontstane en achteraf bekeken ongelukkige verdeling van het gecombineerde verkeer: met het opkomen van de eerste noemenswaardige containertrafiek van de zeehavens naar het hinterland werd door de Europese staatsspoorwegen in 1967 Intercontainer opgericht, die zich uitsluitend en exclusief met het containertransport op het spoor moest bezighouden.

Later werd ze met de transporteur van gekoelde goederen Interfrigo gefusioneerd tot Intercontainer-Interfrigo (ICF). Bij Intercontainer/ICF kwamen in enkele Europese landen nog nationale maatschappijen, zoals in Duitsland het (vroegere) Transfracht, die het nationale containerverkeer afhandelde en voor het internationale verkeer als vertegenwoordiger van Intercontainer/ICF optrad. De langer bestaande of pas in de jaren 1960 opgerichte “Huckepack”-firma’s, zoals Novatrans (FR, 1966 – door versmelting van GTTM en STEMA), Hupac (CH, 1967), Ferpac (IT, 1968 – later opgegaan in CEMAT, die tot 1976 opnieuw containers transporteerde) en Kombiverkehr (DE, 1968/69) was het verboden om containers te vervoeren. Voornamelijk opgericht als joint ventures van expediteurs, hun onderlinge verenigingen en de toenmalige staatsspoorwegen, hoorde hen in de plaats daarvan de organisatie en promotie van het “Huckepack” genoemde spoor-wegverkeer toe; dus het transport van vrachtwagens en later ook wissellaadbakken op het spoor. De containers werden door de staatsspoorwegen als maritiem laadgoed beschouwd. De soms moeilijke splitsing tussen (binnen-)containers en wissellaadbakken leed in de tijd van deze opsplitsing meermals tot ongestemdheden tussen de betrokkenen. Zo was het bijvoorbeeld bij de opkomst van de eerste transporten van wissellaadbakken in het begin van de jaren 1970 niet duidelijk, of een wissellaadbak überhaupt als deel van het gecombineerde spoor-wegverkeer moest beschouwd worden en dus ook door de “Huckepack”-transporteurs mocht vervoerd worden. De ironie van de geschiedenis is dat de meeste “Huckepack”-firma’s jaar na jaar groeiden, terwijl het transportvolume van ICF erop achteruitging.

Afsluitend mag het duidelijk zijn dat bij alle ontwikkelingen uit het verleden principieel kan vastgesteld worden dat op basis van de groter worden filefactoren de meeste transporteurs langere, bredere en hogere laadkisten wilden – en liefst alles tegelijkertijd.

. Een kleine tijdslijn
  • 1933
    Oprichting van het Bureau International des Containers (Parijs) door de Internationale Handelskamer (Parijs), met medewerking van zowat alle spoorwegmaatschappijen in Midden- en West-Europa en enkele auto-, transport- en binnenscheepvaartorganisaties, net als het internationale normenbureau voor de automobielindustrie. Doel volgens het oprichtingsprotocol: samenwerking (!!!) i.p.v. concurrentiestrijd tussen spoor- en wegverkeer.
  • 1928-1938
    Verkeer in Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië met bimodale laadkisten.
    Overslag op eigen wielen (DE), met een mobiele kraan (GB) of door verrijdbare liften (IT).
    Bovendien experimenten in Frankrijk met zadelaanhangers op spoorwagens.
  • 1946
    In Frankrijk invoering van spoorvervoer van kleine UFR-zadelaanhangers (Union Fer Route) op wagons met een laadhoogte van ca. 1,20m boven de spoorstaaf. Coördinator is later de vereniging GTTM. Hoogtepunt in 1965-1970, stopzetting van deze trafiek in 1979.
  • 1948
    Oprichting van het CNC (Frankrijk) door de spoorwegen voor het transport van laadkisten met laadvolumes van 3 tot 18m3.
  • 1953
    Oprichting van CEMAT door INT in opdracht van de Italiaanse spoorwegen (doelstelling vergelijkbaar met het CNC). Bouw en transport van pa-laadkisten (5m3) door de Deutsche Bahn (hoogtepunt 1970, afbouw vanaf 1980).
  • 1954
    Testtransporten met truckcombinaties op vlakke draagwagens door de Deutsche Bahn.
    Mr. McLean, wegtransporteur in het oosten van de USA, ontwikkelt uit de opbouw voor zadelaanhangers de container (8’/2,438m breed en 35’/10,65m lang) en richt later de eerste firma voor containerscheepvaart ter wereld op, de SeaLand-rederij.
  • 1959
    Oprichting van STEMA (Société de Traction et d’Exploitation de Matériel Automobile S.A.), die met tweeassige kangoeroewagens (laadhoogte 35cm boven spoorstaaf) grote gespecialiseerde zadelaanhangers binnen Frankrijk vervoert, vanaf 1963 ook naar Rotterdam en vanaf 1966 naar Brussel.
  • 1962
    De Deutsche Bahn begint in West-Duitsland met het vervoer van zadelaanhangers de hiervoor speciaal ontwikkelde tweeassige “Wippenwagen” (laadhoogte 41cm boven spoorstaaf).
  • 1964
    De EEG-ministerraad beslist tot de eenmaking en verhoging van het totaalgewicht van trucks en zadelaanhangers tot 38t. Gevolg: volgeladen zadelaanhangers zijn te zwaar voor tweeassige wagons.
  • 1964-1966
    Oprichting van Trailstar (1964), TRW (1965) en Novatrans (1966), de laatste door fusie van STEMA en GTTM.
  • 1966
    Eerste internationaal spoor-weg combinatieverkeer over de Alpen met kangoeroewagens tussen Rotterdam/Brussel/Parijs/Novara (1.020km).
  • 1967
    Oprichting van Hupac en van Intercontainer (nu ICF).
  • 1968
    Testtransporten door Hupac met enkele Oostenrijkse wagons van de Rollende Landstrasse (lengte 13,50m) tussen Basel en Melide (Tessin), 320km.
  • 1969
    Oprichting van Kombiverkehr. Kombiverkehr begint met een shuttletrein van de Rollende Landstrasse tussen Köln en Ludwigsburg (bij Stuttgart) over 360km het vervoer van telkens 20 vrachtwagens.
    Congres in Wenen ter voorbereiding van de oprichting van de UIRR.
  • 1969-1970
    Begin van het verkeer met verticale overslag. Kombiverkehr laat 6m wissellaadbakken door containerkranen met touwen op vlakke wagens laden (1969). Novatrans slaat zadelaanhangers over met containerkranen met grijparmen op de eerste 50 zadeldraagwagens (1970).
  • 1970
    In München oprichting van de UIRR, “Union Internationale des sociétés de Transport Combiné Rail-Route” – “Internationale unie van bedrijven voor gecombineerd spoor-wegverkeer”.
  • 1972-1974
    Start van de Rollende Landstrasse Köln-Verona (1972) en Köln-Ljubljana (1974); telkens zowat 1.000km. 
  • 1973
    De eerste universele UIRR zadeldraagwagens, die ook wissellaadbakken en containers kunnen vervoeren, komen bij Kombiverkehr en Novatrans in dienst (laadhoogte 0,35m boven spoorstaaf).
  • 1975
    EEG-richtlijn 75/130 van 17/02/1975: eerste vordering van het gecombineerde spoor-wegverkeer (met uitzondering van de voor- en naloop via de weg uit bilaterale en nationale contingenten bij de vergunningen)
  • 1978
    Grondstellings- en vorderingscatalogus van het Comité Mixte. Beslissing van Novatrans en de Deutsche Bahn om geen kangoeroewagens en “Wippenwagen” meer aan te kopen, en dus de horizontale overslag niet verder te zetten.
  • 1979
    Novatrans vervoert de laatste UFR-zadelaanhangers.
  • 1981
    De eerste 240 wagons van de Rollende Landstrasse met een lengte van 19m (nuttige last 38t, later 40t) komen bij Hupac en Kombiverkehr in dienst. In Italië wordt het maximale totaalgewicht voor vrachtwagens en truckcombinaties tot 44t opgetrokken. 500.000 UIRR-verzendingen per jaar.
  • 1983-1986
    Oprichting van Ökombi (1983), Kombi Dan (1985) en S-Combi (1986), later Swe-Kombi (1988). Start van het gebruik van de computer voor tekstverwerking en statistiek.
  • 1985
    EG-ministerraad verhoogt het maximale totaalgewicht voor vrachtwagens en truckcombinaties van 38t naar 40t en de maximale lengte van een vrachtwagencombinatie van 15,00m naar 15,50m (EG-richtlijn 85/3).
  • 1987
    Novatrans koopt als eerste UIRR-firma gelede wagons.
    Eerste automatische gegevensuitwisseling tussen UIRR-firma’s.
  • 1988
    Opening van het UIRR verbindingsbureau in Brussel. Resolutie van Interunit over 8 vorderingen aan de EG-commissie en de regeringen. Eén miljoen UIRR-zendingen per jaar.
  • 1988-1989
    De eerste wagons met een laadhoogte voor wissellaadbakken en containers van minder dan 1m (0,94m) boven spoorstaaf worden door SNCF (1988) en Hupac (1989) gebouwd.
  • 1986 & 1989
    Einde van de horizontale overslagtechniek voor zadelaanhangers: laatste transporten met kangoeroewagens (1986) en “Wippenwagen” (1989).
  • 1989
    EG-ministerraad beslist tot de verhoging van de maximale lengte van een vrachtwagencombinatie van 15,50m naar 16,50m (richtlijn 89/461).
  • 1989-1999
    Oprichting van bijkomende firma’s voor het gecombineerde verkeerd in Zuidoost- en Oost-Europa, in Groot-Brittannië en op het Iberische schiereiland, die lid werden van de UIRR.
  • 1991
    EG-richtlijn 91/60: verhoging van de maximale lengte van vrachtwagencombinaties van 18,00m naar 18,35m.
    EG-richtlijn 91/440 voor de liberalisering van het spoorverkeer: minimaal kostentechnische scheiding van spoorweginfrastructuur en –bedrijf, toelating van spoorfirma’s op het gehele Europese spoorwegnet in het combinatieverkeer, schuldenvrijstelling van de staatsspoorwegen.
  • 1992
    Hoogtepunt van het vervoer van zadelaanhangers: 225.000 per jaar.
    Begin van het PACT-programma van de EU-commissie.
  • 1993
    UN-ECE Genf: AGTC akkoorden voor infrastructuurstandaarden voor het combinatieverkeer tussen zowat alle Oost- en West-Europese landen; vooral Spanje, Groot-Brittannië, Zweden, Oekraïne en Joegoslavië ontbreken.
  • 1994
    Stopzetting van alle verbindingen van de Rollende Landstrasse in het Duitse binnenverkeer.
  • 1995
    De laatste tweeassige wagons voor wissellaadbakken worden uit het verkeer genomen/ Begin van de transporten met bimodale zadelaanhangers op tweeassige draaistellen tussen München en Verona door BTW.
    EG-richtlijn 95/18 en 19: De spoorwegrichtlijn van 1991 wordt uitgebreid.
  • 1995/1996
    Onderzoek door de DB naar een prijsgunstige nieuwe Rollende Landstrasse.
  • 1996
    EG-richtlijn 96/53: Verhoging van de maximale lengte van vrachtwagencombinaties van 19,35m naar 18,75m.
    EG-white paper 421/96: Strategie voor de heropleving van de spoorwegen.
  • 1999
    Rollende Landstrasse behaalt in het internationale verkeer een aandeel van 31% van alle UIRR-zendingen; zadelaanhangers hebben in het internationale onbegeleide combinatieverkeer een aandeel van slechts 14%.
  • 2000
    2 miljoen UIRR-zendingen en 5 miljoen TEU (Twenty-feet Equivalent Unit, transportmaat voor containers)
  • Bron: Boek “30 jaar UIRR”, auteur Hans Wenger, uitgever UIRR S.C., Brussel/België
    Met vriendelijke goedkeuring van de UIRR